Tien mythen over zelfredzaamheid bij brand

Mensen willen het liefst zelfstandig zijn. Zij willen niet voor alles hulp vragen, maar de problemen die ze tegenkomen zelf oplossen. Ook als het hun veiligheid betreft. Ze zijn dan ook vanuit zichzelf gemotiveerd om veiligheidsproblemen te voorkomen en proberen te beperken. Dat is de kern van zelfredzaamheid.

De brandveiligheidsvoorzieningen en maatregelen zijn afgestemd op een bepaalde verwachting van het gedrag van mensen bij brand. Uit onderzoek* blijkt dat deze verwachtingen niet altijd kloppen. Mensen doen vaak iets anders dan we van tevoren denken. Deze misvattingen zijn samengevat in 10 mythen over zelfredzaamheid bij brand.

*Verkorte versie brochure NIPV ‘Zelfredzaamheid bij brand – Tien mythen ontkracht’ (Kobes. M en Groenewegen ter Morsche. K. 2008)

Mythe 1: Mensen kennen de gevaren van brand.

In praktijksituaties zijn mensen zich minder bewust van de gevaren van brand dan verondersteld wordt. De gevaarperceptie van mensen is lager dan de ernst van de situatie in werkelijkheid is.

Mythe 2: Mensen vluchten zodra ze brandalarm horen.

Dat is wat in de bouwregelgeving wordt verondersteld. Maar in werkelijkheid blijkt dat mensen vaak helemaal niet vluchten zodra ze een brandalarm horen. De reactie op een brandalarm kan enkele minuten tot langer duren.

Mythe 3: Mensen maken bij het vluchten gebruik van de groene vluchtrouteaanduidingen.

In de praktijk blijkt dat mensen niet of nauwelijks gebruik maken van de groene al dan niet verlichte nooduitgangbordjes. Men is zich vaak niet bewust van de aanwezigheid of negeert ze simpelweg.

Mythe 4: Mensen vluchten via de dichtstbijzijnde nooduitgang.

Het gebruik van de dichtstbijzijnde nooduitgang is niet vanzelfsprekend. Het is niet zozeer de afstand tot de nooduitgang die maakt dat mensen voor een bepaalde uitgang kiezen; mensen vluchten doorgaans via een route die ze kennen. Over het algemeen is dit de (hoofd)ingang waardoor ze zijn binnengekomen.

Mythe 5: In gebouwen met een hoge bezettingsdichtheid wordt de zelfredzaamheid bij brand bepaald door het aantal (nood)uitgangen.

Er is geen sprake van een evenredige verdeling van mensen over de beschikbare uitgangen. Bovendien blijken de aannamen in de bouwregelgeving te optimistisch voor wat betreft de doorstroomcapaciteit.

Een succesvolle ontruiming staat of valt met een goede ontruimingsprocedure.

Mythe 6: Liften en roltrappen niet geschikt voor vluchten bij brand.

Dit geldt voor iedereen die zelfredzaam is en zelf via trappen het gebouw kan verlaten. Uit onderzoek van incidenten is echter gebleken dat mensen uit de brand zijn gered door gebruik te maken van liften en roltrappen. Vooral voor personen die fysiek niet of nauwelijks via trappen het gebouw kunnen verlaten, is het gebruik van liften en roltrappen soms de enige optie om bij brand veilig te kunnen vluchten.

Mythe 7: Bedrijfshulpverleners zijn overbodig: de technische brandveiligheidsmaatregelen zijn veel belangrijker.

Ook al is een gebouw brandveilig uitgevoerd, dan nog bepaalt het gedrag van mensen uiteindelijk voor een belangrijk deel de zelfredzaamheid bij brand. De inzet van getrainde bhv’ers blijkt bij een ontruiming tot een kortere reactietijd van de aanwezigen te leiden in vergelijking met een ontruiming zonder getrainde bhv’ers.

Mythe 8: Mensen met een permanente functionele beperking zijn het minst zelfredzaam.

Mensen met een functionele beperking zijn bij brand niet per definitie minder zelfredzaam dan mensen zonder functionele beperking. Neem bijvoorbeeld blinde mensen die bij slecht zicht als gevolg van rookontwikkeling of lichtuitval beter in staat zijn zich te oriënteren dan niet visueel gehandicapte mensen.

Een succesvolle ontruiming staat of valt met een goede ontruimingsprocedure.

Mythe 9: Mensen zijn zelfredzaam bij brand als zij zich onder normale omstandigheden in een gebouw kunnen verplaatsen.

Veel mensen blijken in geval van een incident helemaal niet zo mobiel te zijn als gevolg van tijdelijke beperkingen. Die kunnen bijvoorbeeld ontstaan door zwangerschap, operaties, overgewicht, astma. Of door brandeffecten, zoals lichamelijke reacties op hitte en rook (slecht zicht, bewusteloosheid).

Mythe 10: Mensen raken in geval van brand in paniek.

Het tegendeel is waar. In veel gevallen doen mensen namelijk helemaal niets bij het zien van een brand. Ze blijven staan kijken, gaan door met hun activiteiten die ze al deden, of ze komen juist naar de brand toe om het van zo dichtbij mogelijk te ervaren.

 

Bhv: de motor van zelfredzaamheid

NIBHV ziet het als een uitdaging om de bhv de motor te laten zijn van de zelfredzaamheid. De bhv’er kan daarbij optreden als ‘veiligheidsambassadeur’. Samen met management, medewerkers, cliënten, mensen in de directe omgeving, professionele hulpverleners en overheid kan de bhv veiligheidsproblemen voorkomen en beperken. Lees meer in het boek bhv als veiligheidsmotor.

 

Zelf bewust aan de slag met brandrisico’s

bewust omgaan met brandrisico'sMaak kennis met de mogelijkheden voor inzet van de bhv-organisatie bij brand en letsels. De zogenoemde specifieke brandveiligheidsanalyse voor de bedrijfshulpverlening helpt om in 5 stappen de optimale keuzes te maken bij de inrichting van een bhv-organisatie. De methode biedt een heldere werkwijze met als criteria: kwaliteit, kwantiteit en kosteneffectiviteit. De methode is toepasbaar voor zowel nieuwe als voor bestaande gebouwen.

Het document bevat unieke gegevens over waar branden ontstaan, hoe deze zich kunnen ontwikkelen en wat de inzet­mogelijkheden voor de bhv zijn.

 

Download nu gratis

 

Kickstart je bhv!

NIBHV biedt handige informatie voor jou als bhv’er of voor jouw bedrijf om zelf aan de slag te gaan met de bhv, zoals handige whitepapers en hulpmiddelen die je direct kunt gebruiken.

Wil je aan de slag met jouw bhv en wil je hier graag hulp bij ontvangen? Meld je dan aan voor de Kickstart je bhv hulpserie. Hiermee helpen we jou in 2 weken met het organiseren van je bhv.

Meld je nu aan