De onderbouwing voor brandbeveiliging in gebouwen

Basis voor Brandveiligheid

Modellering, onderbouwing, argumentatie en achtergrondinformatie over brandpreventie in gebouwen. Daar gaat het nieuwe handboek Basis voor brandveiligheid over. Het handboek is geschreven door René Hagen en Louis Witloks, beiden werkzaam bij het Lectoraat Brandpreventie van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV), in samenwerking met Brandweer Nederland.

Het handboek Basis voor brandveiligheid vervangt de bestaande serie brandbeveiligingsconcepten uit de jaren negentig, uitgegeven door het toenmalige Ministerie van Binnenlandse Zaken. Het boek is bestemd als naslagwerk en praktijkhandboek en biedt een denkraam voor de brandbeveiliging van gebouwen. De publicatie benadrukt een integrale benaderingswijze die noodzakelijk is om de kwaliteit van de brandpreventie te borgen en te verbeteren. Het bevordert de inzichtelijkheid van de brandpreventie dientengevolge gelijkwaardige oplossingen kunnen worden bepaald. De publicatie bestaat uit drie delen (totaal 347 pagina’s). Het eerste deel begint met een denkraam voor de brandpreventie.

Onderwerpen als risicobenadering en fire safety engineering komen aan de orde. De kaders voor de brandveiligheid staan in het tweede deel. Ze vormen de achterliggende onderbouwing en gaan onder meer over risico’s, wettelijk kader alsmede de wetenschappelijke onderbouwing. Het derde deel – de bijlagen – bevat een kenschets van gebouwen, het analysemodel vluchtveiligheid waarin het gedrag van mensen tot uiting wordt gebracht, casuïstiek van recente branden en een literatuurlijst. Het document voorziet in een kader voor regelgevers, ontwerpers, bouwers en gebruikers van gebouwen. Het bevat een systeem van brandbeveiligingsvoorzieningen en -maatregelen in onderlinge samenhang, waarbij achtergronden nader worden belicht.

Het document stelt de vele spelers die bij de brandbeveiliging van gebouwen zijn betrokken, in staat de onderlinge verbanden tussen brandveiligheidsvoorzieningen en -maatregelen te onderkennen en toe te passen. Hierdoor kunnen zij binnen hun eigen verantwoordelijkheid invulling geven aan een integrale brandbeveiliging op basis van bouwkundige, installatietechnische en organisatorische aspecten in onderlinge samenhang. De rol en de positie van de bedrijfshulpverlening is hierbij een cruciale.

 

Uitgangspunten kennisdocument

‘Risico’ is een bepaalde manier om gevaar te duiden. De term geeft een indruk over de waarschijnlijkheid van een ongewenste gebeurtenis in samenhang met de gevolgen van die gebeurtenis. In het nieuwe kennisdocument is de mate van brandbeveiliging niet zozeer gekoppeld aan specifieke gebruiksfuncties, maar aan maatgevende risicofactoren en scenario’s. De maatgevende risicofactoren zijn geclusterd in risicofactoren die voortkomen uit de kenmerken van de mensen die in het bouwwerk aanwezig zijn, de bouwtechnische kenmerken en gebruikskenmerken, alsmede de fysische kenmerken van brand- en rookontwikkeling. Daarbij spelen de interventie bij brand door de respons van de BHV-organisatie en de brandweer een rol (interventiekenmerken), alsmede de geografische ligging van het gebouw in relatie tot de brandveiligheid in het gebouw (omgevingskenmerken). Voor een schematische weergave van het samenstel van kenmerken: zie figuur 1.

 

 

Het samenstel van kenmerken vormt een integraal stelsel dat bepalend is voor de mate van brandveiligheid. De maat voor brandveiligheid wordt bepaald door één of meerdere brandscenario’s. Beïnvloeding van scenario’s is mogelijk door de inzet van brandbeveiligingsvoorzieningen en/of -maatregelen. Voor het vluchtscenario is het belangrijk te onderkennen dat de fysieke omgeving invloed heeft op het vluchtgedrag van mensen die lichamelijk in staat zijn om zelfstandig te vluchten. Daarnaast speelt het repressieve scenario een belangrijke rol. Zo zullen de blus- en redmogelijkheden bij een snel brandverloop anders zijn dan bij een relatief lang het bouwwerk snel is ontruimd, dan wanneer er nog veel mensen in het brandende bouwwerk aanwezig zijn. Om het brandveiligheidsniveau te verbeteren, kunnen op basis van een risico- en een scenarioanalyse brandbeveiligingsvoorzieningen  en -maatregelen getroffen worden. Het document Basis voor brandveiligheid biedt daarvoor de geëigende methodieken en uitgangspunten.

Het document bouwt voort op de kennis en ervaring uit de thans vervallen serie brandbeveiligingsconcepten. Zo zijn het in de brandbeveiligingsconcepten gehanteerde risicomodel van de gebeurtenissenboom bij brandscenario’s en de specifieke doelstellingen van brandbeveiliging verder ontwikkeld. Voor gebeurtenissenschema brand: zie figuur 2. Behalve dat is voortgebouwd op de brandbeveiligingsconcepten, is ook rekening gehouden met nieuwe ontwikkelingen voor brandbeveiliging. Nieuwe kennis en inzichten zijn in het document verwerkt.

 

Figuur 2: Gebeurtenissenschema brand.

 

Risico-indicatie

In het document is sprake van een onderverdeling in gebouwensoorten op basis van een risico-indicatie. Maatgevend is een indeling op basis van de meest bepalende risicofactoren. De kerngedachte hierbij is dat ‘de mens’ centraal staat als meest belangrijk facet van de beveiliging. Daarnaast bestaat de mogelijkheid de risico-indicatie te verdiepen in samenhang met de specifieke eigenschappen van een bepaald gebouw, de omstandigheden van verblijf, het gebruik alsmede het menselijk gedrag bij brand.

Gebruik maken van het in het document vervatte model voor risico-indicatie dwingt tot nadenken over brandveiligheid in termen van risico’s. Het model is een richtinggevend hulpmiddel voor inventarisatie. De analyse van een inventarisatie levert als uitkomst een specifiek risicoprofiel op. Te nemen beveiligingsopties in voorzieningen en maatregelen dienen in overeenstemming te zijn met het specifieke profiel. Voor indeling risicogroepen in samenhang met gebouwensoorten: zie figuur 3. De hierin genoemde verzameling gebouwen is niet limitatief. Het is belangrijk op te merken dat binnen een gebouwsoort het risicoprofiel kan verschillen.

 

Brandbeveiligingsvoorzieningen en -maatregelen

Overeenkomstig de risico-indicatie is per groep invulling gegeven aan noodzaak van brandbeveiligingsvoorzieningen en/of maatregelen door middel van aandachtspunten voor gangbare en geëigende beveiligingsopties in gebouwen. Het zijn geen wettelijke eisen en/of voorschriften. Overigens: in onderlinge samenhang duiden de voorzieningen en maatregelen een integrale benadering aan van brandbeveiliging die past in de uitgangspunten van de vigerende regelgeving. De brandbeveiligingsvoorzieningen en -maatregelen zijn onderverdeeld in de aandachtsgebieden die bestaan uit:

  • Omgevingskenmerken
  • Gebouwkenmerken, met als onderverdeling:
    • Bouwkunde
    • Installatietechniek
    • Inventaris
    • Gebruik
  • Interventiekenmerken, met als onderverdeling:
    • Bedrijfshulpverlening

Door de aandachtspunten te gebruiken komen alle onderdelen van de brandbeveiliging aan de orde. Dientengevolge kan op een overzichtelijke wijze invulling worden gegeven aan de brandveiligheidsaspecten in onderlinge samenhang, dus integraal.

 

Bedrijfshulpverlening

Bedrijfshulpverlening (BHV) draagt bij aan de beheersing van veiligheidsrisico’s. Het beleid en de organisatie van de BHV vloeien voort uit de risico-inventarisatie en

-evaluatie (RI&E). De RI&E vormt de basis voor de preventie en bestrijding van risico’s in een gebouw. Alle aanwezige risico’s, dus ook de risico’s door het uitoefenen van bedrijfshulpverlening, behoren volgens een vastgestelde methodiek te worden geïnventariseerd en geclassificeerd. Op basis van de RI&E wordt beoordeeld welke maatregelen noodzakelijk zijn om de risico’s te beheersen. Sommige risico’s kunnen echter niet worden voorkomen, de zogenoemde restrisico’s. Daardoor is er een kans dat door een ongeval of incident repressief moet worden opgetreden om de gevolgen van deze restrisico’s te beperken en te bestrijden. Risico’s van brand maken deel uit van een RI&E. Om de gevolgen van een brand te beheersen, behoort een BHV-plan opgesteld te worden waarbij rekening wordt gehouden met maatgevende factoren. Het gebouw, alsmede de populatie maakt er onderdeel van uit.

In een BHV-plan behoren doelstellingen, taken, procedures en middelen, waaronder opleiden en oefenen van de bedrijfshulpverleningsorganisatie, een rol te spelen. Om hieraan uitvoering te kunnen geven, moet er onder meer duidelijkheid bestaan over de te klaren ‘BHV-klus’. Door met scenario’s te werken, kan de klus inzichtelijk worden gemaakt. Met dit inzicht kan vervolgens, zowel kwalitatief als kwantitatief, invulling gegeven worden aan de BHV-organisatie.

Als eerstelijnshulpverlening heeft een BHV-organisatie haar beperkingen. De gedachte dat een BHV-organisatie alles kan oplossen, is een onjuiste. Overigens geldt dit ook voor de brandweer. Bij het optreden van BHV’ers is de risico-inschatting voor de taakstelling ontruimen/blussen een cruciaal onderdeel. Dit is met name van belang in risicovolle en/of complexe gebouwen. Bijvoorbeeld gebouwen waarin mensen verblijven die niet in staat zijn zichzelf in veiligheid te stellen. In die gevallen behoort de taakstelling van de organisatie te zijn gericht op het compenseren van de ontbrekende zelfredzaamheid. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de risico-inschatting door BHV’ers zich veelal zal afspelen op het grensvlak van eigen veiligheid, die voorop staat, en het ontruimen van de mensen en dat deze plaatsvindt onder hoge druk. In gebouwen met niet- zelfredzame personen neemt een BHV’er een besluit dat een directe relatie heeft met de kans van het al dan niet slachtoffer worden van mensen. Dit is bepaald geen sinecure en grijpt in het geestelijk welzijn van betrokkenen in. De brandbeveiliging als samenstel van de gangbare fysieke brandveiligheidsvoorzieningen en organisatorische maatregelen, waaronder de BHV-organisatie, is een kwetsbaar geheel. Het menselijk handelen staat hierbij centraal. Cruciale besluiten die altijd subjectieve elementen hebben, spelen zal de feilbaarheid zeker niet verbeteren. Voorts is het raadzaam de kosten van de bedrijfshulpverlening in samenhang met de brandveiligheidsvoorzieningen inzichtelijk te krijgen, omdat een BHV-organisatie gedurende de gehele gebruiksfase van een gebouw in stand moet worden gehouden. Er bestaan mogelijkheden de kosten te beïnvloeden met de inzet van geëigende technische voorzieningen die de bron van het brandgevaar beïnvloeden. De achterliggende gedachte is dat kleine branden minder gevaar opleveren dan grote branden. Een automatische blusinstallatie kan hierin voorzien. In dat geval kan rekening worden gehouden met een vooraf bepaalde en beperkte brandgrootte. Ergo: scenario’s worden in positieve zin beïnvloed. Het gevolg is dat de kwetsbaarheid dit deel van de brandbeveiliging aanmerkelijk daalt ten opzichte van een situatie waarbij dit niet het geval is. Automatisch blussen draagt bij aan een vroegtijdige interventie in de gebeurtenissen die bij een brand een rol spelen, waardoor de effecten van een brand ook geringer zijn. Met de inzet van een zo’n systeem wordt substantiële veiligheidswinst (risicoreductie) geboekt en kan een gebouw flexibeler worden gebruikt.

Om reden dat de huidige en gangbare RI&E- methoden meestal een beperkte diepgang hebben voor de brandveiligheid voorziet een aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie voor brand (ARI&E-b) ofwel een specifieke brandveiligheidsanalyse in de mogelijkheid van een zo optimaal mogelijke afstemming tussen gebouw, bedrijfshulpverlening en brandweer. Dit is met name van belang waar sprake is van complexe en/of risicovolle gebouwen.

 

Aanvullende risico-inventarisatie en-evaluatie voor brand

Evenals bij een RI&E gaat het er bij een ARI&E om risico’s te beheersen. Een ARI&E is gedetailleerder. Een ARI&E kan deel uitmaken van een RI&E. Het doel van een ARI&E is een gebouw en de hulpverlening zo optimaal mogelijk op elkaar af te stemmen. Bij de uitvoering van een ARI&E gaat het erom de gevaaraspecten bij brand alsmede de beperking en bestrijding ervan centraal te stellen. Scenario’s zijn hiervoor een goed middel. Het werken met scenario’s bevordert het denken in termen van veiligheid. De ARI&E is gericht op het inzichtelijk maken van de brandbeveiliging in het gebouw (bouwkundig, installatietechnisch) een rol. Door de omstandigheden bij brand in samenhang met de interventie door de BHV-organisatie en de interventie door de brandweer. Met dit inzicht is het mogelijk om op objectniveau verantwoorde keuzes te maken.

 

Figuur 3: Groepen 1 t/m 4: risicofactoren in samenhang met gebouwensoort.

 

 

Bij een ARI&E voor brand zijn er ten minste drie stappen te onderscheiden. De eerste stap is de beoordeling van de staat van de brandveiligheid van het gebouw. Als een gebouw voldoet aan de maat, dan kan de BHV-organisatie worden ingericht. Maatgevende brandscenario’s voor de hulpverlening van de BHV spelen hierbij een rol. Als het gebouw niet voldoet aan de maat, dan is er een bepaalde tekortkoming in de brandveiligheid. De vraag is vervolgens of dit consequenties heeft voor de inrichting van de BHV-organisatie. Om dit te kunnen bepalen, is het noodzakelijk de tekortkomingen in samenhang met de fysieke mogelijkheden van de BHV-organisatie te analyseren. Door bij de analyse maatgevende brandscenario’s voor de hulpverlening te gebruiken, kan het geheel inzichtelijk worden gemaakt. Afhankelijk van de tekortkomingen en de resultaten van de analyse kunnen besluiten worden genomen. De keuzemogelijkheden die zich dan aandienen zijn risicoacceptatie (beperkt) en/of het treffen van brandveiligheidsvoorzieningen en/of het treffen van aanvullende organisatorische maatregelen in het kader van de BHV. De tweede stap betreft de inventarisatie met de interventie door de brandweer. Onderlinge afstemming tussen beide organisaties is belangrijk. Partijen behoren te weten wat ze van elkaar kunnen verwachten. De derde stap betreft een analyse van de twee eerdere stappen in onderlinge samenhang. Bij deze analyse is het bijvoorbeeld belangrijk de gevolgen van een late interventie door de brandweer in verbinding te brengen met de (voorgenomen) brandbeveiligingsvoorzieningen en –maatregelen om alternatieve beveiligingsopties in beschouwing te kunnen nemen. Belangrijk uitgangspunt dat niet onvermeld mag blijven, is dat gebouwen in samenhang met de eigen BHV-organisatie voldoende veilig behoren zijn en dat het vooraf inboeken van een repressieve inzet van de brandweer als preventief middel een onzekere veiligheid tot gevolg heeft.

 

Aanbeveling

Brandscenario’s spelen een cruciale rol. De vraag dient zich dan aan welke maatgevend zijn voor de inrichting van een adequate BHV-organisatie. Uit de praktijk blijkt – rekening houdend met alle aspecten van de brandbeveiliging op dit deelgebied – dat dit geen gemakkelijk opgave is. Aanbevolen wordt onderzoek te verrichten op het gebied van de ontwikkeling van maatgevende scenario’s en te komen tot een handreiking.

 

Absolute veiligheid kan niet

Absolute veiligheid kan niet worden geborgd en moet ook niet worden gepretendeerd. Veiligheidsrisico’s moeten tot het redelijkerwijs mogelijke worden gereduceerd. Bouwkundige en technische voorzieningen kunnen daaraan een belangrijke bijdrage leveren, maar techniek kan falen. In het gebruik van gebouwen zijn personele en organisatorische maatregelen van cruciaal belang. Dit geldt vooral in gebouwen waarin mensen niet in staat zijn zonder hulp van derden te vluchten. In deze gebouwen is het van belang rekening te houden met het evenwicht van beperkingen op het gebied van de fysieke veiligheid en de mate van compensatie door maatregelen in de sfeer van de interne organisatie, omdat menselijk handelen altijd een kwetsbaar element blijft. Het blijkt dan dat veiligheid boven alles mensenwerk is en dat ook de mens feilbaar is. Er blijft onvermijdelijk altijd een restrisico over. Het is onmogelijk honderd procent garantie te geven dat mensen geen slachtoffer worden van brand. Wel kunnen adequate brandveiligheidsvoorzieningen en -maatregelen in samenhang met goede hulpverlening de kans hierop aanmerkelijk reduceren. Brandveiligheid is essentieel, maar niet het enige onderdeel van het brede begrip veiligheid. Het is noodzakelijk om zo goed mogelijk invulling te geven aan de brandveiligheid zonder afbreuk te doen aan andere veiligheden.

 

 

Dit kennisdocument is geschreven door het lectoraat Brandpreventie van het IFV, in afstemming met diverse  vakgroepen van Brandweer Nederland.

Deel dit artikel

Meer weten? Neem dan nu contact met ons op: